Gisteren was ik bezig over vroeger, nu ga ik nog verder terug, naar de gezinnen van mijn overgrootouders.
Mijn ouders waren afkomstig uit een arbeidersmilieu. Beide grootouderparen waren strijdbare arbeiders die streefden naar verbetering van de omstandigheden van de arbeiders. De ene oma liep mee met betogingen voor het vrouwenkiesrecht, de andere opa was zeer actief in de vakbond. Mijn grootouders zijn geboren in 1896, 1896, 1898 en 1899. Ze waren dus van de zelfde generatie
De voorouders van mijn grootouders woonden op het Friese platteland. Rond 1890 zijn deze families naar de stad Leeuwarden getrokken om daar werk te vinden als werkman of arbeider. De gezinnen waren groot en men kwam terecht in kleine woninkjes. Mijn beide opa's hadden 10 broers en zussen. Mijn beide oma's kwamen uit een wat kleiner gezin, zij hadden elk 4 broers en zussen, naar de huidige maatstaven nog steeds veel mensen.
Ik heb gehoord dat deze mensen woonden in tweekamerwoningen in een steeg. Er was een kamer met bedstede op de begane grond en een zolder boven. In de kleine woningen werd de was gedroogd, het eten op petroleum gekookt, of er werd in de winter een rokerig turfvuur gestookt. Op die zolder sliepen de kinderen. Ik weet van het huis van de ouders van mijn oma dat ze waterleiding hadden. Er was een kraan in de gang bij de voordeur, ongeveer op kniehoogte, zodat je er een emmer water uit kon tappen. En dat was het dan, wat het water betreft.
Wc’s waren er niet, de gebruikelijke voorziening was een ‘gemak, of poepdoos’ achter in of buiten het huis. Zittend op een houten bankje deden de bewoners daar hun behoefte, boven een ton. In de stad Leeuwarden was een wisseltonnenstelsel. Een keer in de week werd de volle ton vervangen door een lege ton. In 1970 waren nog steeds 2500 huishoudingen die gebruik maakten van een ton. Ook in het huis van mijn grootouders, en tot 1960 in het huis van mijn eigen ouders, was een ton. Die ton stond in een aangebouwd schuurtje. Er was geen verwarming. Het was in de winter heel koud om naar de ton te gaan. Eén voordeel had de kou wel, als het warm was, had je veel meer last van de geuren die de ton verspreidde, in de koude was de ton relatief geurarm. Ik heb ook nog meegemaakt dat er geen wc was, maar alleen een tonnetje. Ik was altijd heel bang voor de tonnenman, de man die de zware ton kwam verwisselen voor een lege. Ik was bang dat hij zou knoeien en dat de vieze derrie over mij heen zou vallen. Er gaan verhalen de ronde, dat als bewoners deze mensen geen fooi gaven, er regelmatig "per ongeluk" een ton viel in de gang of in de huiskamer.
Ik heb gezocht om oude foto's van dergelijke woningen, maar in armoedige buurten hadden mensen geen fototoestel en voor een foto was ook weinig aanleiding: wie wil er nou een foto maken van een armoedig huisje.
Bij onderzoek van de on-line archieven ontdekte ik dat de gezinnen van mijn overgrootouders niet alleen hun eigen kinderen herbergden, maar ook familieleden. De oom en grootvader van mijn opa woonden in bij het gezin van mijn opa. Er waren 11 (!) kinderen, van deze kinderen werden er 9 volwassen en 2 zijn als kind overleden. Waarschijnlijk betaalden de oom en grootvader voor kost en inwoning, zodat er iets meer geld was om alle kinderen te voeden en te kleden. Ook in het gezin waar mijn oma opgroeide, woonde een broer van de moeder als kostganger, zodat ook in dat piepkleine huisje 8 mensen woonden.
Hoe leefden ze? Eerlijk gezegd weet ik er niet zo veel van. Wel dat er niet in alle huishoudingen voldoende stoelen waren en de kinderen moesten staan bij het eten. In de heel grote gezinnen, waar 13 mensen in één huis woonden, werd ook wel in ploegen gegeten. Eerst 6 mensen een maaltijd en daarna de overige zeven. Ook weet ik dat de kinderen vanaf hun 11e of 12e jaar werkten. De meisjes in een dienstje als dienstmeid en de jongens als knechtje, als hulpje. De vrouwen bleven thuis, zorgden voor al die kinderen, deden de huishouding, breiden sokken, truien, naaiden kleding, deden boodschappen.
En voeding? Mijn opa had een groententuin en kippen, gewoon midden in Leeuwarden, vlakbij de sportvelden van Cambuur. Ik veronderstel dat zijn ouders ook al wel groenten verbouwden en dat mijn opa deed wat zijn ouders ook al deden. Leeuwarden was een provinciestadje. Waarschijnlijk waren er wel stukjes grond beschikbaar waarop groenten verbouwd konden worden. De andere opa had perenbomen in zijn tuin, stoofperen en handperen en ook hij hield kippen.
Overigens bereikten een deel van mijn overgrootouders echt respectabele leeftijden. Ik had acht overgrootouders, ze werden
73 (m), 65 (V), 89 (m), 64 (v), 89 (m), 77 (v), 84 (m), 83 (v)
De rode koppels zijn de grootouders van mijn moeder en de groene koppels zijn de grootouders van mijn vader. Opvallend is dat alle grootvaders ouder werden dan hun echtgenoten. Zou dat met de armoede te maken hebben gehad? Of was het toeval?